ContactFacbook   FR | EN | NL | DE


"Fresco van de Walen"
Van Karel de Grote tot Simenon...

 

 

Prolegomena

 

Na de bouw van het nieuwe stadhuis in de jaren tachtig bleef een puntgevel die uitgeeft op de ‘Jardins du Maïeur' onafgewerkt.  Uit de muur staken drie enorme met bitumen beklede metalen buizen, niet bepaald een mooi gezicht voor de burgers die naar het gemeentehuis van Namen kwamen.

 

Het terras boven de twee parkeerverdiepingen werd in 1996 aangelegd door de architecten F. Haulot en Ledoux. Zij tekenden voor de ingangen en voor het reliëf. Maar dan moest alles nog in het groen gezet worden en moest de stroom voetgangers van de omliggende scholen in goede banen geleid worden. Dat gebeurde met gepaste, stevige lage aanplantingen.  Ontwerper van deze ‘Jardins du Maïeur' was de landschapsarchitect van de Stad, de heer  Michel Gilbert. De lindebomen, die zeer dicht bij het gebouw staan, zijn in blokken gesnoeid om de architectuur sterker te beklemtonen. Achterin vangen een rij magnoliabomen en twee dennen met altijdgroene naalden de blik. Enkele dubbelbloemige kersenbomen verbergen de feestzaal van de school en sluiten de muur van de Walen vlekkeloos aan op de architectuur van de tuin. In het midden van de compositie staat een vertakte parrotia op een vierkant muurtje. De voetgangersroute is omkaderd door gesnoeide lonicera (kamperfoelie) en loopt tussen twee perken met klimplanten, Japanse kweeën. Twee kornoeljes ogen wondermooi in de lente met hun brede witte kelkbladeren. Een waterpartij smukt de tuin op en brengt verkoeling in de zomer. De enkele heesters achter in de tuin bloeien al in de winter en verspreiden de eerste tere geuren van toverhazelaar en sneeuwbal (viburnum). In de tuin werden perken aangelegd met bolgewassen of jaarplanten die kleuriger zijn. Deze afgeschermde, zongerichte ruimte is erg in trek bij de stedelingen en dient zowel voor tentoonstellingen van kunstwerken als voor tal van recepties in het hart van het stadhuis.

 

Maar wat moest er met de muur gebeuren? Het antwoord op die vraag werd gevonden in 2001. Toen maakten gemeentelijke afgevaardigden kennis met de werken van de kunstenaars van «La Cité de la Création» in Lyonese wijken (waarvan sommige opgenomen zijn in het werelderfgoed van de mensheid) en in Québec (de «Mur des Québécois»). Het idee voor een trompe-l'oeil fresco in Namen was geboren. Gilbert Coudène, hoofd van het creatief atelier, licht toe dat het Fresco van de Walen aanhaakt bij de werken in Lyon en Québec, steden die hun identiteit wilden uitdrukken op een gevel. Door zijn ligging in een openbare tuin is het fresco erg overzichtelijk. Het is een lust voor het oog en een plezier om telkens weer nieuwe dingen te ontdekken. Het is beslist een cultureel en toeristisch instrument, maar het heeft ook een pedagogische inslag omdat het op zijn manier de geschiedenis van de streek vertelt.

 

De gemeentelijke overheid heeft een tweeledig doel. Het wil af van die architectonische ‘doorn in het oog' en het wil met dit fresco hulde brengen aan de Walen die eeuw na eeuw gestalte gaven aan een hele regio, op artistiek, sportief, industrieel en verenigingsgebied. Het is een heus geschiedenisboek in ‘openlucht', waar veel te leren valt en waar jong en minder jong zelfs kan nadenken over verleden, heden en toekomst. Het Fresco van de Walen in de hoofdstad van het Gewest is 's lands eerste fresco met een boodschap.

Op 25 juni 2003 geeft de Gemeenteraad toestemming voor de voorbereidende werken aan de gevelmuur van het stadhuis, met het oog op de aanbreng van het fresco. Op 10 september van dat zelfde jaar geeft de Raad zijn goedkeuring aan het principe van een fresco en aan het concept voor de uitwerking door «La Cité de la Création» van Lyon. De werken zullen lopen van april tot augustus 2004. De officiële inhuldiging vindt plaats op 11 september 2004.

 

 

Uitwerking van het project en thema's

 

Dit project wordt op stapel gezet door de Schepen van Erfgoed, met assistentie van de Schepen van Cultuur. Om het tot een goed einde te brengen, wordt een begeleidingscomité opgericht dat bestaat uit vertegenwoordigers van elke groep van de Gemeenteraad. Zij werken samen met de makers aan het documentair onderzoek en de selectie van de motieven en spilfiguren die een plaats zullen krijgen. Niet minder dan 330 m2  wordt bedekt met een monumentaal fresco dat meer dan 250 personages of typische referenties uit de oude en recente geschiedenis van Wallonië zal afbeelden. Deze referenties zijn niet volledig, maar het fresco is dan ook bedoeld om voortdurend te evolueren en kan gewijzigd en aangevuld worden volgens de wensen, de trends of de talenten die nog zullen ontluiken.

 

Het fresco is zeker ambitieus, maar het heeft ontegensprekelijk een toeristische, culturele, educatieve en ook architecturale waarde. Ons doel, beklemtoont de Schepen van Erfgoed, is dat de Namenaren maar ook alle andere Walen zich kunnen herkennen in het werk en het zich toe-eigenen.

 

Wegens plaatsgebrek konden niet alle opgelijste referenties voluit afgebeeld worden. En dus gebruikten de ontwerpers hoezen of ruggen van cd's of boeken, affiches van evenementen, voorwerpen in allerlei formaten (de hoed van de folkloristische muziekgroep ‘Les Molons', een saxofoon, een pot mosterd,...). Omdat het fresco, zoals gezegd, moet kunnen evolueren bleven een aantal ruggen van boeken of cd's blanco, om later ingevuld te worden.

 

Deze talrijke referenties zijn samengebracht in uitstalramen onder aan het fresco, op ooghoogte zodat alles gemakkelijk te zien is. Een kleine esplanade aan de voet van het werk (boven trappen) brengt het publiek tot heel dicht bij het fresco.

De muurkunstenaars kozen voor verschillende kijkniveaus. Wie dicht bij het fresco staat, kan naar hartelust snuffelen in de zes uitstalramen. Daar komt de bezoeker ook onvermijdelijk oog in oog te staan met de steltlopers of met schilder Albert Dandoy die zijn ezel aan de voet van het gebouw neerplantte. Aan het uitstalraam rechts lijkt een huismoeder met een mand vol streekproducten wel op iemand te wachten. De uitstalramen bulken van symbolen en het is onbegonnen werk om bij een eerste bezoek alle details op te nemen. Er is zoveel informatie, en de referenties zijn zo talrijk dat terugkomen de boodschap is. Wie de trappen weer afloopt en iets verder gaat staan, ziet weer andere dingen. De Waalse haan en Marsupilami, met zijn ellenlange staart, omkaderen het grote valse raam in het midden. Aan de hogere ramen verschijnen, in verschillende poses, bekende personages uit de Waalse geschiedenis: Karel de Grote, Blanche van Namen, pater Pire, Ernest Solvay, François Bovesse, Georges Simenon.

 

De kunstenaars schikten zich helemaal naar de locatie en namen de bestaande ramen dus op in hun werk. Ze zijn soms moeilijk te onderscheiden van de trompe-l'oeils met borstweringen die heel echt lijken. De drie enorme buizen ‘à la Beaubourg' vallen natuurlijk meteen op, maar spelen een rol in de hele lay-out. De ontwerpers doen ons doelbewust twijfelen...gebruikten ze dan echte Franse witsteen of Maaslandse blauwe kalksteen of toch niet?

 

 

Technisch...

 

Complexe technologie heeft geen plaats in ons werk, ze is te kil, ze spreekt het gevoel niet aan, stellen de muurkunstenaars die hun creaties bestempelen als gewoon, vluchtige, broze sporen omdat ze menselijk zijn.  Het voorbijgaand karakter van de muurschilderingen is een realiteit. Hoewel ze nog niet zo lang geleden aangebracht werden, zijn sommige al verdwenen of werden ze overschilderd. Dit is levende kunst die evolueert en die geen aanspraak maakt op de eeuwigheid. In de prehistorische grotten deden de kunstenaars hetzelfde als wij, zeggen de muurschilders. Soms werden de tekeningen van de kunstenaars tweeduizend jaar later nog vervolledigd...
Meestal neemt de uitvoering van een fresco tijd in beslag. Het hele idee moet groeien. Tussen het eerste contact met de opdrachtgever en de inhuldiging gaan gemiddeld negen maanden voorbij. 

 

Alvorens hij aan de eigenlijke muurschildering begint, moet de ontwerper een aantal onmisbare etappes doorlopen: opmetingen, foto's, documentatie, plannen, schetsen, contacten, ontmoetingen en besprekingen met de opdrachtgever, maar ook soms met de omwonenden. En moet ook nog de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd worden.

 

Dit houdt concreet in dat de muurschilder een schaalmodel maakt en ook een maquette op 1/10e , die als referentie tijdens de werkzaamheden zal dienen. Hij kan pas verder gaan met de uitvoering van het ontwerp als zijn plan helemaal af is. Het is zaak om in dit stadium fouten te vermijden die uitvergroot nog duidelijker te zien zullen zijn. Dit betekent eindeloze berekeningen, de nauwgezette toepassing van de regels inzake perspectief en talloze tekeningen op millimeterpapier in het atelier.

 

Eerst moet de muur voorbereid worden. Dit werk gebeurt door de metser, maar het is van doorslaggevend belang. Elke oneffenheid, elk foutje moet weggewerkt worden tot het oppervlak zo glad mogelijk is.

 

Dan gaat de muurschilder aan de slag. Hij gebruikt nagetrokken of geponste tekeningen op schaal 1:1, die hij allemaal nummert. Het is dan de bedoeling om de tekening op het muuroppervlak over te brengen. In de nagetrokken tekeningen worden piepkleine gaatjes geprikt die de trekken van de tekening volgen. De kunstenaar dept een zak blauw poeder over de trekken, zodat de lijnen op de muur staan na de verwijdering van de nagetrokken tekening. Vervolgens wordt een onderlaag aangebracht en dan pas komen de kleuren op de muur. Niet stuk per stuk, maar alle kleuren tegelijk over het hele werk, in opeenvolgende verflagen, zoals bij een foto die in een fixeerbad langzaam duidelijk wordt. Tot aan de licht- en schaduweffecten, want dan is het een kwestie van op het juiste moment te stoppen.

 

 

De muurschilders wilden best een geheimpje van een doeltreffende trompe-l'œil verklappen: hoe rechter de trekken en hoe afgelijnder de contours zijn, hoe levenlozer, verstarder het fresco lijkt. Het penseel mag dus niet als een mes de kleuren ‘afsnijden', maar ze in elkaar laten overgaan, zoals het oog ze ook werkelijk ziet.

 

Omdat de ontwerpers de marouflagetechniek toepasten, waren er op een bepaald moment ‘belletjes' te zien op het Naamse fresco. Maar deze lichte vervormingen vervagen om volledig te verdwijnen.

 

Muurschilderen is een weinig gangbare specialiteit, die gebaseerd is op een welbepaalde techniek. Deze evolueert echter naarmate er nieuwe materialen voorhanden zijn. De muurschilders van «La Cité de la Création» laten trouwens geregeld producten en technieken testen in een geïntegreerd onderzoekscentrum in de buurt van hun atelier. Dit centrum werkt op basis van bedrijfsmecenaat en studiecontracten.

 

 

Het atelier van «La Cité de la Création» and co

 

Het avontuur begint in 1978. Een groepje studenten van de Academie van Schone Kunsten in Lyon beslist om een atelier op te richten onder de naam: «La Cité de la Création». Twaalf muurschilders, maar één signatuur. Dat is de formule van dit atelier in een notendop. We heten allemaal Cité de la Création,  benadrukken Pierre, Yannick, Marie-Chantal, Hélène, Marion, Pomme, Gilbert, Benjamin, Camille, Élisabeth, Valérie, Jean-Michel... Het is teamwerk. Iedereen brengt zijn eigen vaardigheden in. Of je nu portretschilder of specialist in architectuurtekenen bent of een neus hebt voor public relations, ieders knowhow komt het geheel ten goede. Deze werkwijze is specifiek voor hen en plaatst de individualiteit centraal.

 

De muurschilders van het eerste uur nemen hun intrek in een atelier aan de Montée de la Grande Côte in de wijk ‘Croix-Rousse'. Daarna verhuizen ze naar een andere Lyonese wijk, Vaise. Uit de eerste collectieve experimenten ontstaat een groep onder de naam «Populart», die onderzoek voert naar en nadenkt over de artistieke ingreep in een stedelijk milieu. Deze groep streeft naar gezelligheid, wil de uitwisselingen tussen mensen katalyseren, de beelden verduidelijken, de locaties weer een eigen identiteit geven.

 

Het begin is zeker moeilijk, maar de groep heeft energie te over. Ze werken onder het statuut van vereniging en hebben maar weinig materiaal. Het zal nog een hele tijd duren tot ze het financieel evenwicht bereiken met de uitvoering van stadsdecors.

 

De gemeente Oullins, aan de poorten van Lyon, is eigenaar van een oud, verlaten en ruim woonhuis in het park Charbrières, dat boven de industriestad uittorent. Ze beslist om dit huis te verhuren aan «La Cité de la Création» in ruil voor opknapwerken. Het is een mythische plek waar bijvoorbeeld François de Lesseps de plannen voor het Suezkanaal tekende. In 2007 wonen de muurschilders er nog steeds.

 

In 1983 trekt het team naar Mexico, om samen te werken met de muurschilders van Tepito, een inheemse wijk van de stad. Het werk van de Lyonese en Mexicaanse kunstenaars is een geslaagd samenspel van noord en zuid. Helaas zal een zware aardbeving het enkele maanden later voorgoed vernietigen. Sindsdien reizen de muurschilders van Lyon de wereld rond, van Angoulême naar Barcelona, van Pau naar Mulhouse, van Leipzig naar Québec, maar ook naar  Biarritz, Marseille, Brest, Parijs, Jeruzalem, ...

 

Stilaan kunnen de muurschilders van «La Cité de la Création» van hun kunst leven. Ze zetten hun vereniging om in een coöperatieve. Het principe is eenvoudig: “een persoon, één stem”. De leden van de coöperatieve zijn creatieve producenten.

 

Ze voerden tot nu toe meer dan 420 kunstwerken op muren uit en de bestellingen blijven binnenlopen. Op hun website (www.cite-creation.com) staan tal van illustraties van eerdere werken.

 

Een eigenheid van deze Lyonese kunstenaars is dat ze bij hun projecten geregeld medewerkers uit de streek betrekken. In Namen waren dat Sophie Lestrate en Jean-François Renquet, die avondles volgden aan de Academie voor Schone Kunsten en door de Lyonese muurschilders opgeleid werden.  Toen we aankwamen, kregen we meteen een penseel in de hand gestoken om de handen uit de mouwen te steken. We werkten vooral aan de uitstalramen onder aan het fresco: bemetingen, lijntekeningen, achtergrondkleuren, patina's...De jonge academiestudenten werkten ook mee aan de overbrenging van het werk op de puntgevel van het stadhuis. En zo ontstonden misschien wel nieuwe roepingen dankzij het kunstenaarscollectief van «La Cité de la Création», dat nog steeds adviseert en workshops opzet rond nieuwe fresco's. Naast lokale kunstenaars betrekken ze ook de bevolking, wat tot respect voor hun werken leidt. Deze worden nooit beklad met graffiti, omdat ze deel uitmaken van de stad, toebehoren aan de burgers.

 

Wallonië in beelden

De prominente namen

 

Karel de Grote


Karel  I de Grote (742 of 747 - †Aken, 814) is de zoon van Pepijn de Korte. In 768 wordt hij koning der Franken. Hij was een groot veroveraar, prins-wetgever, vernieuwer van de beschaving. Zijn bewind wordt gekenmerkt door een reeks militaire zeges die hem in staat stelden om een fantastisch rijk uit te bouwen dat zich uitstrekte van de Ebro (Spanje) tot de Elbe (Duitsland).
Zijn kroning tot keizer van het West-Romeinse rijk door paus Leo III, op Kerstmis in 800 in Rome, is een hulde aan een vorst die met de expansie van zijn rijk ook het christelijk grondgebied aanzienlijk groter maakte. Terwijl hij waakt over de ontwikkeling van het christendom, herstelt hij ook de handelsrelaties met het Oosten.
De bestuursinrichting van Karel de Grote was een stuk ordelijker dan onder zijn voorgangers. Hij regulariseert de instelling van de Missi dominici (koningsboden) die toezicht moesten houden op de graven, omringt zich met adviserende Groten,  met de bijeenroeping van de Meivelden, hij laat een groot aantal Capitularia (wetten en verordeningen) uitvaardigen door zijn kanselarij. De keizer zorgde voor een heuse culturele opleving, omdat hij de meest ontwikkelde mensen uit zijn tijd uitnodigde aan het hof: Paul Diacre, Eginhard, Alcuinus. Hij brengt ze samen in een soort van Academie, de Paleisschool. Hij doet scholen openen in kathedralen en kloosters en richt talloze kunstateliers op. Hij geeft de aanzet tot een herleving van de heilige en profane studies. De legende maakt van hem, vanaf de elfde eeuw, een hoofdrolspeler in een aantal heldendichten (chansons de geste) zoals het Roelandslied (Chanson de Roland).


 

Blanche van Namen

 

Blanche is in feite alleen in naam van Namen. Ze werd zo genoemd omdat ze de dochter is van de graaf van Namen Jan I en zijn tweede echtgenote Maria van Artesië, achter-achternicht van de heilige Lodewijk, koning van Frankrijk. Ze werd wellicht geboren in 1316, misschien in het kasteel Wynendaele, bij Brugge. Haar jeugd bracht ze deels daar en deels in het Naamse door. Het is blijkbaar een mooie, zachte vrouw met stijl, die een verfijnde opvoeding naar Franse normen kreeg. Op haar achttiende ontmoet ze een jonge koning uit het Noorden en het is liefde op het eerste gezicht. In 1334 huwt ze Magnus Erikson, koning van Zweden en Noorwegen. Deze koning staat als nogal mak bekend en zijn favorieten spelen al eens de baas over hem. Maar ondanks alle moeilijkheden blijft Blanche trouw aan de zijde van haar echtgenoot staan. Hij heeft dan ook heel wat te stellen... hij moet het hoofd bieden aan de Deense en Slavische legers en aan de zwarte pest, zijn financiële toestand is rampzalig, door zijn hoge schulden sloeg de Kerk hem in de ban en zijn zonen komen tegen hem in opstand. Blanche sterft in 1363 aan het hof van haar zoon, koning Haakon. Zo blijft ze gespaard van het ellendige einde van haar echtgenoot Magnus, die door zijn neef Albert van Mecklembourg gevangen wordt genomen.
Blanche van Namen bracht de westerse cultuur naar haar nieuwe vaderland, maar laat ook sporen achter in Namen. Zelfs in de eenentwintigste eeuw is ze nog aanwezig in Namen, tijdens historische feesten en optochten. Ze is het onderwerp van een toneelstuk van J. Evrard en gaf haar naam aan het plaatselijk lyceum. Ook een bier draagt haar naam. 

 

 

Dominique Pire


Pater Dominique Pire (1910-1969) is een dominicaan, doctor in de moraaltheologie (1936). Hij voltooit zijn studies aan de Faculteit voor Politieke en Sociale Wetenschappen van de universiteit van Leuven, en wordt daarna econoom en docent moraalfilosofie aan het Klooster van La Sarte (1939-1949). In 1939 richt hij een dienst voor gezinshulp op die vooral bedoeld is om kansarme gezinnen te helpen. Hij is ook de initiatiefnemer van opvangcentra in openlucht van Hoei waar honderden kinderen tijdens de oorlog te eten krijgen. Hij is tevens aalmoezenier van het Geheim verzetsleger. 
Na de oorlog geeft hij niet langer les, maar wordt hij priester. In 1949 start hij met hulpverlening aan ontheemden en hij voert een grootscheepse actie ten bate van de minstbedeelden. Zijn campagne voor het Europa van het Hart wordt in 1958 bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede. Na de stichting van de Vredesuniversiteit in Tihange in 1960 geeft hij concreet vorm aan de hulp aan derdewereldlanden met de Vredeseilanden (1962). Zijn Stichting zet zijn werk vandaag nog steeds voort en volgt nog steeds zijn leuze: Geef een man een vis en hij heeft een dag te eten. Leer hem vissen en hij heeft zijn hele leven eten.


 

 

Ernest Solvay


Ernest Solvay (1838-1922) is zeer leergierig, maar een ziekte belet hem om aan de universiteit te studeren. Hij start zijn beroepsleven in de fabriek van zijn oom en hij toont zich al meteen erg vindingrijk. Met één van zijn experimenten maakt hij natriumcarbonaat aan. Hij vraagt een patent aan (1861) en na schier eindeloze stappen slaagt hij erin om in Couillet industrieel een soda te produceren dat later Solvayzout zal heten. Zo bouwt hij een heus imperium op in de chemische industrie, niet alleen in Europa maar tot in de Verenigde Staten. 
Ernest Solvay is een groot industrieel, maar ook een man met een groot gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Hij neemt al heel snel initiatieven op dat vlak: pensioenen voor arbeiders  (1899), beperking van de arbeidsduur tot 8 uur per dag (1908), betaalde vakantie (1913), bijscholingen... Hij roept een aantal sociale werken in het leven, zoals het Nationaal Hulp- en Voedselcomité (1914). Bovendien is hij ook een overtuigd mecenas.
E. Solvay richt aan de ULB het Instituut voor Fysiologie en Sociologie op, evenals de internationale instituten voor natuur- en scheikunde.


 

 

François Bovesse


François Bovesse (1890-1944) is een politicus die een aanzienlijke rol heeft gespeeld, zowel gemeentelijk als provinciaal en nationaal. Hij was advocaat van opleiding en wordt in juli 1914 doctor in de rechten aan de Luikse universiteit. Hij wordt echter opgeroepen voor het leger en geraakt gekwetst in de buurt van Antwerpen. Daarna wordt hij aangesteld bij het Militair Auditoraat van Calais. Na zijn terugkeer in België in januari 1919 wordt hij benoemd tot substituut van de provinciale militaire auditeur, om zich nadien in te schrijven bij de Naamse balie. Hij ijvert dan al sterk voor de Waalse zaak en richt in 1923 een comité op in Namen dat belast wordt met de organisatie van de Feesten van Wallonië.
François Bovesse engageert zich politiek in de liberale partij. Van 1921 tot 1937 is hij gemeenteraadslid en van 1929 tot 1937 is hij schepen van Burgerlijke Stand en Schone Kunsten. Tussen 1921 en 1937 is hij twee keer volksvertegenwoordiger en vier keer is hij bevoegd voor een ministerportefeuille (PTT; Justitie; Openbaar Onderwijs, Letteren, Kunsten; Justitie). Hij is een fel verdediger van de standpunten van de Waalse Beweging: handhaving van het Frans-Belgisch militair akkoord, verzet tegen de amnestiewet en strijd tegen de fascistische beweging Rex. In 1937 wordt hij gouverneur van de provincie Namen, maar de Duitse bezetter zal hem uit zijn functies ontzetten. Hij neemt zijn beroep van advocaat weer op en pleit zonder enige toegeving aan de bezetter of aan zijn collaborateurs. Deze houding zal hem het leven kosten. Hij wordt op 1 februari 1944 door rexisten vermoord. François Bovesse liet een uitgebreid en grotendeels onuitgegeven literair werk na.


 

 

Georges Simenon


Georges Simenon (1903-1989) wil officier worden, maar zijn vader is ziek en dus moet hij zijn studies opgeven om de kost te verdienen. Hij is eerst leerling-banketbakker en gaat daarna in een boekhandel werken. Stilaan heeft hij zijn roeping gevonden: journalist. Hij schrijft onder het pseudoniem Georges Sim voor de Gazette de Liège. Zo maakt hij kennis met de heel aparte sfeer van politiecommissariaten, theaters, conferentiezalen. Alle ingrediënten zijn voorhanden. G. Simenon legt zich toe op het schrijverschap, vooral na de publicatie van zijn eerste werk Au pont des arches (1921). Hij schrijft enkele werken om in zijn levensonderhoud te voorzien en vestigt zich in Parijs. Hij werkt op een hoog ritme en publiceert verhalen, novelles en romans. Commissaris Maigret maakt voor het eerst zijn opwachting in 1931. Het zal de spilfiguur van talloze romans worden. De Maigret-reeks omspant 34 jaar en bestaat uit meer dan 300 titels. Net als Honoré de Balzac en Émile Zola schetst Georges Simenon een waarheidsgetrouw beeld van de maatschappij waarin hij leeft. Hij heeft een uitzonderlijke opmerkingsgave, gekoppeld aan een scherp psychologisch inzicht. 
G. Simenon verblijft van 1945 tot 1955 in de Verenigde Staten. Daarna verhuist hij naar Zwitserland waar hij tot aan zijn dood zal blijven. Van 1972 tot 1989 werkt hij met behulp van een bandopnemer aan de 21 volumes van zijn bespiegelingen die onder de titel Dictées gepubliceerd werden.


 

 

Albert Dandoy


Albert Dandoy (1885-1977) behoort tot een dynastie van Naamse schilders. Hij krijgt zijn opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Namen, waar hij zich vooral de technieken van de decoratieve schilderkunst eigen maakt. Vanaf 1918 geeft hij zelf tekenles aan de Academie van zijn stad. In 1930 wordt hij leraar schilderkunst (tot in 1955).
Aan deze lokale schilder werden in het Maison de la Culture twee grote tentoonstellingen gewijd, in 1967 en in 1985. Het grootste deel van zijn werk zingt de lof van de stedelijke sites en de omliggende landschappen. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar het leven in zijn stad: feesten, folklore, markten,...
Het zou een hele opgave zijn om een catalogus van zijn werk op te stellen, want het is bijzonder omvangrijk. Kenmerkend voor zijn doeken zijn de vinnige toetsen en de lichte kleuren. Sommigen kaderen zijn stijl in de impressionistische traditie. 

 

 

 

 

De ‘randanimatie'

Deze grote figuren die ons Wallonië boetseerden, kregen natuurlijk een ruime plaats toebedeeld. Maar de ontwerpers wilden ook die heel bijzondere elementen in beeld brengen waaruit de culturele verscheidenheid en de veelzijdige rijkdom van het Gewest spreken. Om dat te doen, kozen ze voor het concept van de uitstalramen op de benedenverdieping van de stadhuisgevel.

 

Daar zit ook schilder Albert Dandoy rustig aan zijn schildersezel, met zijn hond naast hem. Hij legt weer een stukje van zijn geliefd oud Namen vast op doek. Hij is gekleed in pak en beschermt zich tegen de zon met een breedgerande hoed. Zijn enige toeschouwster is een jonge huisvrouw, namelijk Sophie Lestrate, die van de markt komt met een rieten mand vol groente en fruit, die waarschijnlijk van de telers uit het nabije Jambes komen.

 

 

 

Aan de andere kant slaat een jongen (de zoon van Jean-Luc Martin, directeur van de Academie voor Schone Kunsten van Namen) een gevecht tussen steltlopers gade. Het Franse woord voor steltloper «échasseur» komt van het Waalse «chacheu», dat strijder op stelten betekent. Het gevecht tussen steltlopers is één van de oudste gebruiken in de Naamse folklore. De steltlopers zijn in twee groepen verdeeld, de Mélans (inwoners van de oude stad) en de Avresses (inwoners van de nieuwe stad), die elkaar op allerlei manieren uit het evenwicht trachten te brengen: duwen met de schouder, een tik met de elleboog, «côps d'pougn è stoumac» (vuistslag in de maag), de stelten blokkeren, kniebewegingen en nog veel meer....

 

Vlakbij François Bovesse, die in profiel te zien is aan het raam op de eerste verdieping, prijkt trots een onverschrokken haan op een uitsteeksel. Het betreft de haan die op de Waalse vlag staat. De schilder Pierre Paulus (Châtelet, 1881 – Brussel 1959) ontwierp hem in 1913. Deze kunstenaar is een Waalse schilder die tot de expressionistische stroming behoort. Hij verwierf bekendheid op zijn dertigste tijdens de tentoonstelling van de Waalse kunst in Charleroi.

 

Tussen de tweede en de derde verdieping wordt de schaduw van een vogel weerkaatst op de muur van nagebootste Franse steen. Hoger zou tegen een achtergrond van leistenen nog een vogel te zien moeten zijn, maar deze is nu afgedekt! Op de rand van een stenen daklijst, rechts boven, rust een blauwe duif (de vî bleu).

 

In het midden van de puntgevel omkadert een immense glaspartij de drie buizen die een heus monument uit roestvrij metaal an sich vormen. In het glas wordt gebladerte weerspiegeld, maar links valt een macrâle (heks) in volle vlucht te bespeuren.

Rechts glijdt een geel en zwart fabeldier achter de buizen. Zijn staart reikt zelfs tot boven. Zijn geestelijke vader is striptekenaar André Franquin (Spirou/Robbedoes nr. 72, 31 januari 1952). Het is natuurlijk de marsupilami, een eierleggend zoogdier (van de protheria-familie), gemeenzaam ook snaveldier genoemd. Hij heeft een zeer ontwikkeld aanhangsel, lacht, gebruikt gereedschap en bootst de menselijke taal na. Mannetjes roepen «hoeba», vrouwtjes «hoebi» en de jongen «bi», maar dan meestal enkele keren na elkaar («bibi»).

 

De bewuste marsupilami kreeg het gezelschap van een andere bekende stripfiguur, de schattige smurfin, die zich van het gebladerte losmaakt. Het was Peyo die in 1958 (Spirou/Robbedoes  nr. 107, 23 oktober 1958) gestalte gaf aan deze blauwe dwergen (smurf, smurfin en babysmurf), met hun vreemde taaltje. Deze reeks ontsproot uit de traditionele toverwereld. De boswezens zijn ontleend aan de volksmythologie. Ze wonen in een omzeggens ideale maatschappij, met een Vorst (Grote Smurf die zowel de macht bezit als wijs is), die als twee druppels water op de rest van zijn onderdanen lijkt.

 

In een heel ander register komen we terecht bij Muriel Sarkany, die uitblinkt in de klimsport. Hier beklimt ze het gebouw, ze is bijna aan de top. Deze Brusselse werd in 1974 geboren. Haar eerste stappen in de klimsport zet ze in 1991. Het volgend jaar wordt ze al wereldkampioene bij de junioren in Zwitserland. Sindsdien stapelde ze de titels op Europese en wereldschaal op.

 

De uitstalramen

Het uitstalraam links

Het winnende Wallonië (La Wallonie qui gagne -   ) wordt gekenmerkt door zijn sporters, zijn avonturiers, zijn zangers, zijn  ontwerpers (mode,...), zijn folklore. Het linkse uitstalraam vat dat allemaal samen.

 

Er zijn nog meer sporten vertegenwoordigd, zoals motorcross (op de Citadel van Namen), wielrennen, voetbal, lopen, zwemmen, gewichtheffen, bergbeklimmen, atletiek, kano-kajak,... de naam van de sporters staat op de rug of de cover van boeken

 

Dit uitstalraam zoomt ook in op het Franstalige lied, met de Francofolies van Spa. Salvatore Adamo krijgt een ereplaats op de hoes van een lp, Maurane op een cd-hoes. Er komen er nog meer aan bod, en zeker niet de minste.

 

Wallonië staat ook voor feesten en een rijke folklore. Een affiche, met een gille van Binche op de voorgrond, belicht verschillende facetten van onze tradities. Een masker van de Blancs moussis (die met hun witte pijen en kappen tijdens carnaval de straten van Stavelot onveilig maken), een hoed van de Naamse Molons en een deelnemer aan de ‘Entre-Sambre-et-Meuse' marsen vervolledigen deze gebalde schets van de Waalse folklore.

 

Het uitstalraam links (opzij)

De Franstalige film verdiende een heel uitstalraam, want hij maakte ons land en in het bijzonder onze regio bekend op de internationale festivals, onder meer het wel erg prestigieuze van Cannes.

 

De affiche van het Festival international du film francophone de Namur (Internationaal Festival van de Franstalige film van Namen), met de  namen van enkele jonge talentvolle acteurs, kreeg een keurplaats naast een foto van Benoît Poelvoorde. Een lijst bevat ook de foto van de broers Dardenne die twee keer in de prijzen vielen in Cannes. Op een klapbord en op ruggen van enkele boeken werden de namen van regisseurs aangebracht die een bijdrage leverden tot de rijkdom en de verscheidenheid van de Belgische Franstalige film.

 

Nog andere namen zijn te vinden op een rug of een voorplat van boeken: Delhaize, Julie Billiart, Isabelle Brunell, Netta Duchâteau,... Deze Naamse die in 1921 werd geboren, zal tijdens de verkiezing van Miss Universe in Galveston, Verenigde Staten, in 1940 verkozen worden tot de mooiste vrouw ter wereld. Met haar 1,70 meter, haar 58 kg, groene ogen en donkerbruine haren liet deze slanke vrouw de jury niet onverschillig

 

Het uitstalraam in het midden (links)

Geschiedenis, wetenschap, techniek en industrie zijn de vier woorden die dit uitstalraam samenvatten.

 

De man van Spy, Godfried van Bouillon, de vier Heemskinderen, Hugo d'Oignies (met het reliekschrijn dat de rib van de heilige Petrus bevat) herinneren aan het verre verleden van onze regio, net als namen op de rug van enkele boeken. La lettre au Roi van Jules Destrée springt in het oog, net als het portret van graaf Hubert Pierlot, een opmerkelijke politicus, Eerste Minister van zes opeenvolgende regeringen tussen 1935 en 1945, alvorens hij Minister van Staat werd.

Natuurlijk moest ook het talent van onze wetenschappers en industriëlen volop aandacht krijgen, want hun werken en ontdekkingen waren van het grootste belang. De motor van Etienne Lenoir, de machine van Marly van Renquin Sualem, de dynamo van Zénobe Gramme, de metro van Edouard Empain in Paris, de fundeerpalen van Edgard Frankignoul,... wel degelijk allemaal Waalse creaties. Maar ook andere namen verdienen een plaatsje voor het voetlicht: Raoul Warocqué, Jules Mélotte, John Cockerill, Jean Jadot, Nestor Martin, Georges Nagelmackers,... en verder Glaverbel/Saint-Roch, de Fabrique Nationale van Herstal.

 

Jules Bordet is de eerste Waalse wetenschapper die de Nobelprijs voor geneeskunde en fysiologie krijgt (1919), voor zijn werkzaamheden in verband met de studie van de immuniteitsmechanismen. Nog andere wetenschappers zijn zeker op hun plaats in dit heuse Waalse cenakel: Georges Lemaître (astronoom, fysicus, auteur van de Big Bang theorie), Ovide Decroly (arts-neuroloog die sterk doordrongen is van de Darwinistische ideeën), Willy Peers (arts, verdediger van de schrapping van abortus uit het strafrecht),...

 

Het uitstalraam in het midden (rechts)

Het andere uitstalraam in het midden gaat in op de plastische kunsten, de muziek, de literatuur en het stripverhaal.

Félicien Rops, de kunstenaar die door zijn tijdgenoten zo verguisd werd, neemt wraak en stelt zijn Pornokrates ten toon in volle glorie. Op de achtergrond prijkt een aquarel van Pierre-Joseph Redouté, met een prachtige roos. De Waalse kunstenaars (van Joachim Patenier en Henri Bles tot Paul Delvaux) zijn legio en de muurschilders brachten hun namen aan op de ruggen van boeken.

 

In het midden van de compositie verwijst een beeldhouwwerk van Constantin Meunier naar dat Wallonië dat aan de weg blijft timmeren maar tegelijk al over zoveel vakmanschap beschikt, zoals blijkt uit de kristallen vaas van Val-Saint-Lambert en het kant van Marche-en-Famenne.

Rechts komt de muziek aan bod, met naast de cd-hoezen een saxofoon, een programma van een concert van César Frank, een partituur van Li bia bouquet van Nicolas Bosret.

Henri Michaux zetelt naast andere grote dichters zoals Geo Norge, Achille Chavée, Charles Plisnier,... Er is geen beginnen aan om van de literatuur een volledig overzicht te maken en dat geldt ook voor het stripverhaal. Maar om Le bon usage van Maurice Grévisse kon natuurlijk niemand heen.

 

Het uitstalraam rechts (opzij)

Dit uitstalraam staat dan misschien wel op een bescheiden plekje rechts, maar bevat wel de namen van de initiatiefnemers en van de ontwerpers. Het hele project nam vorm naar een idee van de Schepen van Erfgoed, de heer Jean-Louis Close. De muurschilders van Lyon en hun Naamse medewerkers worden allemaal genoemd, net als het Begeleidingscomité en de partners.

 

Onder in het uitstalraam zijn de cd's en boeken verzameld met namen van schrijvers, historici en een abstracte beeldhouwer uit onze contreien.

Er is nog ruimte vrij, want het fresco is (uiteraard) nog niet af.


 
Het uitstalraam rechts

Wallonië bulkt van lekkere dingen van allerlei slag. Zijn streekproducten (verse ganzenlever, vleeswaren, kaas) zijn tot ver over onze grenzen beroemd. Daar hoort natuurlijk een hemels biertje bij. Maak uw keuze uit de lange lijst! Wie het soberder wil houden, kiest voor een watertje van Spa of van Chaudfontaine, of mag het best sterk met een Eau de Villée (vruchtenlikeur) of een P'tit Peket (jenever)?

 

Een greep uit de specialiteiten: chocolade Jacques, de «Biétrumé» (praline) van E. de Hucorne (Fronville), de kattentongen van Galler, de confituren van Materne, de Bister mosterd.

 

 

 

Jacques Toussaint,
Hoofdconservator – Directeur 
Dienst Musea van de provincie Namen